Ik ben een atypische museumbezoeker. Ik snelwandel dolgraag door de zalen. Soms lees ik geen enkele tekst. En even later staar ik minutenlang naar één werk. Enfin, ik heb een eigen museumbezoekstijl ontwikkeld, die ik kan samenvatten in 5 stelregels. Hier komen ze.
1. Ik ga meestal alleen
Mijn ideale museumtempo is mijn eigen tempo. En die wisselt van rap marcheren naar 10 minuten op een bankje zitten. Meestal ben ik na maximaal driekwartier wel klaar.
Samen met iemand een museum bezoeken is net als samen boodschappen moeten doen: je bent je ineens bewust van je eigen gewoontes die ik de ander niet kan opdringen. Maar dat eigenlijk wel wil.
2. Toch samen? Dan doen we dit kijkspelletje
Natuurlijk ga ik soms wél samen met iemand. Vaak is dat de onbezoldigd eindredacteur van dit blog. We stappen samen binnen, en gaan daarna ieder ons weegs. Ergens halverwege zien we elkaar weer en geven dan wederzijds antwoord op de vraag Give, Burn or Steal?

Het idee is simpel. Je kiest 3 werken uit: eentje die je iemand wil geven, eentje die je wilt verbranden en eentje die je wilt stelen. Je neemt de ander mee naar de werken en licht je keuze toe. Door dit te doen, loop ik vooraf al anders door de expositie, druk zoekend naar wat ik wil verbranden.
3. Ik bepaal vooraf wat ik wil zien
Vooral belangrijk bij grote musea: weet wat je wilt zien en begin daar. Want de eerste werken krijgen je volle aandacht. Ongeacht wat voor werken dat zijn. Maak je zelf geen keus, dan sta je dus op een kluitje in de eerste zaal. Met misschien wel werken waar je niks mee hebt.
4. Bij drukte start ik achteraan
Soms kom ik voor een volledige tentoonstelling. Dan heb ik dus geen voorkeuren. Is het druk? Dan begin ik gewoon achteraan. Eerst krijg ik in vogelvlucht het totaalbeeld mee (ik moet immers door de expositie naar het eindpunt lopen). Om dan met volle aandacht te beginnen in een rustige zaal. Als de boel chronologisch is opgebouwd vind ik het ook nog eens leuker om vanuit recent werk af te dalen naar het prille begin.

5. Ik ga kort
Na een uur in een museum word ik steevast overvallen door een landerig soort moeheid. Die moeheid is trouwens in 1916 al wetenschappelijk aangetoond. Enfin, na driekwartier ben ik dus meestal weer weg. Met een museumjaarkaart kan ik gemakkelijk nog eens terug komen met frisse aandacht.